Mijn interesse in de relatie tussen cognitieve wetenschappen en literatuurtheorie komt eigenlijk niet voort uit lezen, maar uit dromen. Tijdens sommige dromen (lucide dromen genaamd) ben je je bewust van het feit dat je droomt. Je weet dat je fysieke lichaam stil in bed ligt – verlamd door slaapverlamming. En je weet dat het lichaam waarin je je denkt te bewegen, de sensomotorische ervaring van het belichaamd zijn, een illusie is. Je echte lichaam beweegt immers niet. Toch doen je hersenen je geloven dat je over een lichaam beschikt. Uit gewoonte? Omdat ons bewustzijn belichaamd is? Of omdat onze hersenen zo werken? De neurowetenschappelijke verklaring daarvoor ken ik niet, maar ik geniet intens van het gevoel waarbij je lichamelijke sensatie verdwijnt, en je visuele verbeelding het overneemt. Ik geniet van het registreren van de mentale processen, het introspectief analyseren van wat er gebeurt. Op dezelfde manier geniet ik van de literatuurtheorie van Marco Caracciolo. Hoewel ik hem niet altijd begrijp, en ik het niet altijd met hem eens ben, leunt zijn theorie dicht aan bij mijn droomervaringen. Soms neem ik de tijd om notities te maken terwijl ik lees. Vandaag was zo’n dag. Tijdens het herlezen van Gebeente (2023) van Etienne van Heerden heb ik neergeschreven welke observaties ik maakte.
Lezen met lichamen
In hun werk With bodies. Narrative theory and embodied cognition (2021) benadrukken Marco Caracciolo en Karin Kukkonen dat lezen geen passief proces is, maar een cognitieve en belichaamde activiteit. Fictieve werelden bestaan niet buiten de tekst; ze worden telkens opnieuw geactualiseerd in de verbeelding van de lezer. Lezen is daarmee een proces van enactment: het oproepen van mentale simulaties waarin de lezer via zijn eigen cognitieve en lichamelijke schema’s de fictieve wereld ervaart.
In Gebeente van Etienne van Heerden wordt dit proces bijzonder zichtbaar gemaakt. Al in de nota van de auteur wordt het dorp voorgesteld als “’n verbeelde dorp. Hy drijf op lig en is nêrens.” Deze zin benadrukt dat de fictieve ruimte niet gegrond is in realiteit of geografie, maar volledig afhankelijk is van de verbeelding van de lezer. Het dorp krijgt vorm door de manier waarop de verteller de lezer aanspreekt en begeleidt in het verbeeldingsproces. Van Heerden gebruikt de focus op een object, het huisje Opwyk, om de gedeelde aandacht van verteller en lezer te sturen. De aandacht van de lezer gaat – in een kijkende beweging – naar het huisje, het perspectief verandert soms. Soms zit je op de plaats die de verteller je aanwijst en kijk je naar het landschap dat van Heerden schetst, soms dwaal je af in metareflecties over het kijken. Je observeert hoe het landschap van de Karoo voor je geestesoog verschijnt. De velden, de vlakte, de bergen.

Het gebruik van de tweede persoon (“jy kan lekker daar sit en tuur na die volgende bultjie”) activeert wat Caracciolo zou omschrijven als embodied simulation: de lezer stelt zich niet enkel het dorp voor, maar ook de lichamelijke houding van het zitten en staren. Dit soort instructies roept een belichaamde ervaring op, waarin het verbeelde lichaam van de lezer (het lichaam dat “daar zit”) en de talige representatie samenkomen.
Daarnaast werkt Van Heerden met joint attention (gedeelde aandacht): de verteller en de lezer delen dezelfde blikrichting, waardoor de lezer zich begeleid voelt in zijn visuele verbeelding. De formuleringen “ons storie” en de nadruk op waar de lezer moet kijken, creëren een narratief contract dat lijkt op Lejeune’s autobiografisch pact, maar hier toegepast wordt op een fictieve wereld. De lezer wordt niet enkel een observator, maar een medeparticipant in de totstandkoming van de fictieve ruimte.
Caracciolo stelt dat deze processen leiden tot een vorm van cognitieve ontlichaming en belichaming. Het dorp Gebeente is “nergens” en dus ontlichaamd; het heeft geen geografie of materiële basis. Toch wordt het bij de lezer belichaamd door de gesimuleerde ervaringen van kijken, zitten en turend waarnemen. Dit spanningsveld tussen niet-belichaming en belichaming is kenmerkend voor de manier waarop fictieve werelden functioneren in de cognitieve verbeelding.
Willing suspension of disbelief en joint attention
Het eerste hoofdstuk, Die Tjank van die Oog, illustreert hoe Van Heerden inspeelt op de bereidheid van de lezer om de fictie te aanvaarden. De willing suspension zie ik als een contract. Je geeft je als lezer over aan de leesinstructies en bent bereid je voor te stellen wat geschreven staat. De verteller richt zich rechtstreeks tot de lezer (“Jy kan lekker daar sit en tuur na die volgende bultjie”). Dit schept opnieuw een moment van joint attention: lezer en verteller richten samen hun blik op hetzelfde object. Caracciolo beschrijft dit als een activering van enactment – de fictieve wereld wordt niet enkel gelezen, maar mee geconstrueerd door de blikrichting die de verteller oplegt.
Visualisatie en belichaamde perceptie
De nadruk op kijken (oë, tuur, sien) activeert visual imagery: de lezer ziet het dorp voor zijn geestesoog ontstaan. Dit roept de vraag op: is kijken zelf belichaamd? Hier ontstaat spanning: enerzijds lijkt kijken een vorm van ontlichaamde perceptie (het lichaam wordt vergeten, de lezer ziet enkel: verbeeldt zich). Anderzijds kan het lezen ook herinneringen oproepen aan fysieke ervaringen van kijken naar de sterrenhemel of naar een landschap. Dat sluit aan bij Caracciolo’s concept van embodied simulation: de lezer simuleert lichamelijke houdingen en percepties, waardoor de fictieve wereld niet enkel visueel maar ook kinesthetisch wordt ervaren.
Bijvoorbeeld, wanneer er staat: “Want dis wat jy hier doen: Jy lê (…) op jou rug”, is dit een instructie die de lezer onmiddellijk terugvoert naar een lichamelijke ervaring van liggen en kijken. Hier maakt de roman gebruik van de herinneringssporen van de lezer (bijvoorbeeld aan privé-ervaringen – persoonlijke herinneringen aan het fysiek neerliggen en naar de sterren kijken, tijdens een reis met het Jongerenproject naar Zuid-Afrika en Namibië in 2022), waardoor de fictieve ervaring verankerd raakt in persoonlijke belichaming. De fysieke ervaring en de herinnering aan het bewegen, het neerliggen en kijken, activeert de herinnering aan het Zuid-Afrikaanse landschap, en aan het zicht op de sterrenhemel. Dit zorgt voor betrokkenheid.
Verschuiving naar personages
De narratieve focus verschuift vervolgens naar Altydoopvygie. “Dis wat sy nou dink” brengt de lezer plots naar een ander domein: de innerlijke wereld van het personage: zij denkt. Toch blijft de lezer op afstand, want de tekst concretiseert haar gedachten niet volledig. We zijn ons enkel bewust van een ander denkend en voelend wezen. Een personage met een eigen bewustzijn. De spanning tussen landschap en bewustzijn, tussen belichaamde instructies en abstracte verwijzingen, creëert een hybride leeservaring waarin de lezer voortdurend schakelt tussen eigen enactment en de beperkte toegang tot de bewustzijnsinhouden van de personages. Nieuwsgierigheid wordt gewekt: wat gaat er in het personage om?
Wanneer Altydoopvygie’s zoon Jisses zich verbrandt, ervaart de lezer de pijn niet rechtstreeks via focalisatie, maar via een afstandelijke beschrijving. Van empathie, noch van sympathie is er in dit stadium sprake (Keen). Dit contrasteert met de intieme instructies eerder (“jy lê… jy sien…”). We zouden dit kunnen duiden als een dynamische herverdeling van presence: de fictieve aanwezigheid van personages wordt minder belichaamd voorgesteld dan die van de lezer zelf. Daarnaast is er een duidelijke ruimte voor meta-reflecties van de lezer: nieuwsgierigheid naar de personages, we worden ons geleidelijk aan minder bewust van het landschap. Het is alsof het mentale werk om ons een omgeving in te beelden reeds is voldaan. Nu wordt het tijd voor actie.
Meta-narratieve spanning
De passage “sonder dat ’n oog op jou val” benadrukt opnieuw de paradoxale positie van de lezer: tegelijk aanwezig en onzichtbaar in het fictieve universum. Je kunt gerust zijn, je wordt zelf niet bekeken. De roman speelt bewust met deze spanning door de lezer niet louter als externe waarnemer te positioneren, maar als participant die impliciet wordt aangesproken en ingeschakeld in de opbouw van de imaginaire wereld. Dit procedé creëert een vorm van medeplichtigheid die sterk doet denken aan Toorberg, waar de lezer eveneens in het herinnerings- en waarheidsproces wordt meegetrokken.
Deze spanning krijgt een dramatisch hoogtepunt in het vonnis over Jisses. Vanuit de focalisatie van de magistraat lezen we hoe Jisses schuldig wordt bevonden aan het stelen van de Melkweg, aan godslaster (het aanwijzen van de verkeerde Heer) en zelfs aan dubbelmoord. Het vertelperspectief verandert. De lezer deelt nu niet alleen in de waarneming van de magistraat, maar ook in diens emotionele en morele worsteling. Hierdoor worden we als lezers in dezelfde ambigue positie geplaatst: medeverantwoordelijk voor het oordeel, maar tegelijk machteloos toeschouwend. Immersie vindt plaats, de lezer beeldt zich in dat hij of zij de magistraat is. Daardoor wordt een mentale inspanning gevraagd, een evaluatieproces begint: vindt de lezer effectief dat Jisses schuldig is? Komen we tot dezelfde conclusie als de magistraat?
De meta-narratieve spanning tussen zien en niet-zien, tussen aanwezigheid en afwezigheid, tussen fictie en verantwoordelijkheid, versterkt zo de thematiek van Gebeente. Het is niet enkel een roman over recht en onrecht in een Zuid-Afrikaans dorp, maar ook een reflectie op de rol van de lezer in het construeren en beoordelen van fictieve werelden.

Leave a comment