De Schepping van Ta’aroa

Ta’aroa werd zonder vader of moeder geboren, uit een ei. Toen hij geen antwoord kreeg, draaide hij zich om in zijn graf om verder te slapen. Na eeuwen werd hij opnieuw wakker. Van de ene helft van de schelp maakte hij de aarde, stenen en zand; van de andere helft de lucht en de hemel, vol sterren en planeten. Hij schudde zijn veren en viel neer op aarde. Daar creëerde hij de eerste mensen.

De legende van Tangaroa had niet altijd zo gegaan. Paikea kon zich nog de oude legenden herinneren die zijn moeder hem had verteld. In die verhalen had Tangaroa wel ouders. 

Lange tijd geleden waren de ouders van Tangaroa nog in een liefdevolle omhelzing verzwikt. Hun liefde voor elkaar vormde de kosmische eenheid van hemel en aarde en uit hun verbintenis werden verschillende godheden geboren. Tangaroa was één van hen, net als Tane-mahuta, de god van de wouden en Tawhiri-matea, de god van de de storm. 

Rangi en Papa hadden vele kinderen. Allen droegen ze ingewikkelde namen. Maar niet Rangi en Papa. Hun leven bestond uit oprechtheid en eenvoud. Uit klanken die geen licht bezaten, want Papa en Rangi kwamen voort uit de absolute duisternis, Po, die ontstaan was uit Chaos. De hele kosmos omhelsde hen. Ze lagen zo dicht tegen elkaar aan dat duister het enige was wat ze kenden en in het absolute donker beminden ze elkaar.

Hun liefde was een liefde die geen naam had. Ze hadden niets of niemand nodig, alleen elkaar. Maar uit de volheid van hun liefde waren nieuwe entiteiten ontsproten. Goden, met hun eigen klanken, hun eigen stem, en zij kenden niet die ademloze liefde. Zij hadden niet wat Rangi en Papa bezaten. Zij kenden niet de rust en niet de stilte die de eindeloze diepte van het donker hen gaf. De nieuwe goden zochten licht. Ze zochten ruimte, een plek om in te spelen, een wereld om een thuis in te maken, een pad om hun weg op te vinden, of in ieder geval de uitgestrektheid om ergens heen te gaan. Maar overal was het donker. 

De eindeloze omhelzing van hun ouders werkte verstikkend. De nalatigheid van hun ouderschap vond weerklank in een uitzinnig gesmeek om aandacht.

‘Hier zijn wij! Kijk naar ons!’ riepen hun kinderen naar boven en naar beneden. Maar Rangi en Papa konden hen niet horen. Zij zagen slechts elkaar en hoorden niets dan hun eigen liefdevolle stilte. 

Noodgedwongen een einde aan hun leed te maken, kwamen de kinderen van Rangi en Papa samen. In een raad. Waarvan de raadsleden vastbesloten waren om een oplossing te vinden. 

Er gingen stemmen op om Rangi en Papa te doden. Tu-matauenga, was zo’n stem. Hij was jaloers op hun liefde. Woedend om de starre kilte van hun omhelzing. Niemand immers, omhelsde hem en hij was vastberaden, die  omhelzing te verstoren. 

Tawhiri-matea sprak die wens tegen:

‘Is het niet dankzij hun liefde, dankzij hun innige omarming dat wij bestaan? Hoe kan je die liefde haten? Wij zijn deel van hen!’

‘Wij zijn geen deel van hen,’ wierp Tu-matuenga tegen, ‘Hoe anders zouden wij in staat zijn tegen elkaar te praten, hoe anders zouden wij van mening kunnen verschillen als dat waar was? Wij zijn losstaande identiteiten en we hebben de ruimte nodig om onszelf te ontwikkelen. Als het je te harteloos lijkt om onze eigen ouders te doden, dan kan ik dat begrijpen, maar er moet iets gebeuren. Zoals de situatie nu is, hebben ze alleen oog voor elkaar. Het lijkt me het beste om hen van elkaar te scheiden. Alleen dan zullen ook wij onze eigen weg kunnen gaan.’ 

Dit was iets wat Tane-mahuta en Tangaroa beaamden. Zij vonden het inderdaad te ver gaan om hun ouders te doden, maar ze hadden er niets op tegen hen uit elkaar te drijven, en dus vatten ze het plan op hen van elkaar te scheiden.

Die taak bleek niet eenvoudig te zijn. Wat ze ook probeerden, faalde. Ze dachten er aan het op te geven en hun pogingen te staken. Tot Tane-mahutu, de god van de wouden, zijn hoofd tegen Rangi plaatste en met zijn wortelige tenen op Papa ging staan. Zijn ouders schrokken op uit hun omarming. Voor het eerst in hun leven werden ze de dreigende leegte gewaar die zich tussen hen in probeerde te wurmen. Tane-mahutu strekte zich uit en hemel en aarde kwamen in beweging. Rangi en Papa schreeuwden het uit van de pijn. Ze strekten hun armen uit naar elkaar maar hun handen konden elkaar niet langer raken en het eerste licht nestelde zich op plaatsen waar die niet eerder had kunnen bestaan. 

Een melancholische weemoed nestelde zich in het hart van de duisternis, in Po, het absolute duister waar Rangi en Papa uit waren ontstaan. 

Dit alles vond zich plaats in de navel van de wereld, in het midden van de oceaan.  

Tawhiri-matea werd woedend en in een wervelwind aan emoties viel hij zijn broers aan. Hij begreep niet hoe ze een liefde zo sterk hadden kunnen beëindigen en was verdrietig om de scheiding van zijn ouders en wat dat betekende: het einde van zijn zorgeloze tijden. 

Bedroefd om het verdriet van zijn ouders, ging hij achter Rangi aan. Hij probeerde zich aan zijn vader vast te klampen, maar het was te laat. Zijn vader steeg op naar de hemel terwijl zijn moeder op aarde achterbleef. Daar woedde in zijn hart de eerste grote oorlog. In zijn woede joeg hij de vreselijkste wervelwinden, orkanen en cyclonen achter zijn broers aan. 

Tane voelde de winden door zijn wouden waaien en moest zijn uiterste best doen om de vernietigende stormen te weerstaan. De bomen duwden hun wortels dieper in de aarde, hun takken schoten hoger de lucht in. Tot ze endelijk de ruimte hadden om vrij adem te halen. Waardoor zuurstorf en een atmosfeer konden ontstaan, waar ook andere wezens in konden leven.  

Vervolgens ging Tawhiri achter Tangaroa aan. Tangaroa vluchte naar de oceaan, verborg zich in het water, waar Tawhiri’s winden hem niet konden raken. Daar werd hij de heerser over de koralen en de vissen.  

Enkel Tu-matuenga bleef staan. Op de plek waar hij was geboren, in de navel van het eindeloze duister, was voor het eerst een lichtbron ontstaan. Het helderste object aan de hemel. Een immense lichtbron waar talrijke fotonen van afstraalden. Tu-matuenga voedde zich met die krachten. Tawhiri begon tegen hem in te razen maar zijn winden maakten geen kans tegen de machten van Tu-matuenga en na een lange strijd boden ze elkaar een wapenstilstand aan. 

Tu-matuenga, die nu eindelijk de tijd had om na te denken, zag hoe zijn broers hem als lafaards hadden verlaten en hun eigen gang waren gegaan op aarde.  

Vastbesloten zich op hen te wreken, daalde hij af naar de wouden en de waters en verzwolg hen allemaal. 

Dit alles resulteerde in een strijd tussen Tu en Tawhiri die er tot het einde der tijden zou blijven. 

Maar de wereld was inmiddels veranderd. Het eens zo rustige bestaan van het vreedzame duister, werd nu overheerst door talrijke krachten. Wervelwinden en orkanen speelden in op de aarde. Visachtige wezens krioelden in de oceaan, weken uit over het land en bevolkten de aarde.

Eén van die wezens was Paikea die devoot zijn handen richtte tot de hemel en ze vervolgens voor zich uit hield naar de open oceaan. De oude woorden prevelend om goden zoals Tangaroa en Tawhiri gunstig te stemmen en hun vanuit zijn kano om vergiffenis te smeken voor de talrijke levens die hij die dag zou nemen, om de mensen op het eiland Mauki te voeden. Opdat ook zij zouden kunnen overleven.  

Tangaroa en zijn drie broers waren verantwoordelijk voor de scheiding. Na de scheiding kwam er ruimte voor andere dingen, dag en nacht. Een wisseling tussen donker en licht. Tangaroa vreesde voor zijn leven en vluchtte naar de oceaan, waar hij de god werd van de vele zeeën. 

Uit een zilveren ei werd hij geboren. 


Posted

in

by

Comments

Leave a comment