Stephen Slemon (1995) definieert magisch realisme als een postkoloniaal discours. Hoewel de term in 1925 door Franz Roh werd geïntroduceerd om een schilderkunstige gevoeligheid na het expressionisme te beschrijven, kreeg het in Latijns-Amerika vanaf de jaren 1940 een nieuwe betekenis in de vorm van lo real maravilloso. Magisch realisme werd daar een ontologisch instrument om de complexiteit van de dagelijkse werkelijkheid – waarin traditie, mythe en moderniteit samenkomen – literair te representeren. De Latijns-Amerikaanse Boom van de jaren zestig bevestigde deze rol: auteurs als Gabriel García Márquez bouwden voort op literaire experimenten van Jorge Luis Borges, die met zijn spel met tijd, causaliteit en subjectiviteit de fundamenten van het Europese Verlichtingsdenken ter discussie stelde.
Michael Warnes (2006, 2009, 2014) plaatst magisch realisme in een langere intellectuele traditie en wijst erop dat het concept al bij Novalis rond 1798 opduikt als tegenhanger van “magisch idealisme”. Binnen het Duitse idealisme van Fichte en de Jena-groep stond de verhouding tussen zelf en niet-zelf centraal. Novalis stelde voor ook natuur en objecten als “zelf” te beschouwen, waarmee hij het onderscheid tussen subject en object, mens en wereld, ophief. Deze ontologische visie vormt volgens Warnes een vroeg fundament voor magisch realisme, dat kan worden begrepen als een esthetische strategie om grenzen tussen mens en natuur, rede en mythe, objectiviteit en verbeelding te doorbreken. In hedendaagse termen sluit dit aan bij object-oriented ontology (OOO) van Timothy Morton (2013), waarin ook niet-menselijke entiteiten een eigen agency bezitten. Magisch realisme creëert zo een ruimte waarin landschappen, dieren en objecten een actieve rol krijgen in de verbeelding van ecologisch en historisch trauma.
In dit opzicht vertoont magisch realisme overeenkomsten met postmodernisme, dat eveneens sceptisch staat tegenover universele waarheden en grote verhalen. Toch verschuift de focus in postkoloniale contexten: waar postmodernisme fragmentatie en ironie benadrukt, wordt magisch realisme ingezet om koloniale erfenissen, culturele vermenging en ecologische ontwrichting te representeren. Zoals Negri en Hardt opmerken, zijn postmodernisme, postkolonialisme en zelfs religieus fundamentalisme te begrijpen als reacties op de globaliserende logica van Empire.
Een waarschuwing voor ecotoerisme in Zuid-Afrika
Deze spanningen komen duidelijk naar voren in Zakes Mda’s The Heart of Redness (2000). In deze roman worden de historische trauma’s van de Xhosa-cattle-killing beweging van de 19e eeuw verweven met de debatten over modernisering en ecotoerisme in postapartheid Zuid-Afrika.
In The Heart of Redness (2000) beschrijft Zakes Mda de culturele politiek van identiteit op regionaal en nationaal niveau in postapartheid Zuid-Afrika. De roman beweegt tussen de negentiende koloniale eeuw en de late twintigste eeuw en toont de economische ontwikkeling. Op deze manier maakt Mda het mogelijk voor ons om de historische problemen beter te begrijpen en de relatie tussen economische ontwikkeling en culturele preservatie verder te onderzoeken.
De roman beweegt heen en weer tussen de negentiende eeuw met zijn koloniale periode en de late twintigste eeuw. Het hoofdpersonage is Camagu, een kosmopolitische figuur die uit Zuid-Afrika is gevlucht tijdens apartheid en terugkwam na 1994. Hij verbleef in exile in de Verenigde Staten en doet denken aan het hoofdpersonage van Teju Cole in Open City.
Camagu raakt in de ban van een jonge vrouw die in een Xhosa dorp woont in Qolorha-by-Sea. Het verhaal wordt doorbroken door historische stukjes die terugkeren naar hoe het dorp 150 jaar geleden was tijdens de befaamde cattle killing beweging. De zieneres Nongqawuse.
De inwoners zijn nog steeds verwikt in een debat tussen Believers en Unbelievers. De “Believers” verwijten de “Unbelievers” nog steeds voor het falen van de cattle-killing movement in de negentiende eeuw. De “Unbelievers” daarentegen verwijten de “Believers” nog steeds dat ze niet mee zijn gegaan met de moderniteit.
De “Believers” worden geassocieerd met het lokale, inheemse, traditie, het verleden en het geloof. De “Unbelievers” worden geassocieerd met democratie, verandering, modernisering, kapitalisme en Empire.
De tegenstelling tussen “Believers” en “Unbelievers” weerspiegelt niet alleen oude religieuze en culturele breuklijnen, maar ook hedendaagse conflicten tussen traditie en globalisering, inheemsheid en kapitalisme. Door irrationele geloofssystemen – of ze nu gebaseerd zijn op profetieën of op neoliberale beloften – op een realistische manier te beschrijven, toont Mda hoe illusies en verwachtingen de geschiedenis steeds opnieuw sturen.
Magisch realisme verschijnt hier dus niet louter als een stijlfiguur, maar als een postkoloniaal discours dat de lezer confronteert met de continuïteit van koloniale en globale structuren, en met de fragiele balans tussen culturele identiteit, economische ontwikkeling en ecologische verantwoordelijkheid.
Daarnaast waarschuwt de roman voor projecten waarin de eigendom van lokale stammen wordt onteigend om er resorts en safariparken van te maken.

Leave a comment