In De narratieve code komen verschillende taalfilosofen aan bod. Deze meerstemmigheid aan taalfilosofen kan de lezer overrompelen. Wat als je niet alles begrijpt? Of wat als je niet alle taalfilosofen kent, of hebt gelezen? Wordt de roman dan onleesbaar? En wat is het redactionele antwoord daarop. Moet de auteur zich aanpassen aan de massa? Of is de onleesbaarheid net de boodschap?
Wie goed oplet, zal zien dat persoonlijke verhalen, pas onthuld worden na uitgebreide en complexe reflecties op taalfilosofie. Eigenlijk staat de taalkundige wending in zijn geheel centraal.
Een mogelijk opstapje naar een coherente(re) lezing kan Ken Hirschkop’s monografie Linguistic turns (1890-1950). Writing on language as social theory (2019) bieden. In deze monografie komen toevallig net die filosofen aan bod, die in de roman worden behandeld. De roman is nochtans geschreven vóór ik het werk van Hirschkop kende. En net dat is tekenend, want het bevestigt mijn idee dat er een samenhang te vinden is in de vele taalkundige wendingen die Europa rijk is. Die samenhang kon ik op geen enkel andere manier duidelijk maken, dan via een combinatie van autobiografisch fictie en essayistische reflectie. Het resultaat is De narratieve code.

Taal, crisis en factografie: de roman in dialoog met Hirschkop
Hirschkop koppelt de linguistic turns met het concept van crisis in modern Europa. De crisis bestaat er volgens hem in dat democratie in relatie tot taal onder spanning staat. In de roman zien we een duidelijke clash in de taal van de protagonist Anki wanneer verschillende talen en wereldbeelden met elkaar in contact komen. Hoe zou je de crisis in de roman definiëren en hoe koppel je dit aan de taalfilosofie in de roman en aan Hirschkop’s theorie?
Ken Hirschkop situeert in Linguistic Turns (2019) de zogenaamde “linguistic turn” niet enkel als een filosofisch of literair fenomeen, maar als een bredere culturele en politieke gebeurtenis. Volgens hem laat de twintigste eeuw zien dat taal niet langer begrepen kan worden als een transparant medium dat werkelijkheid rechtstreeks doorgeeft; taal wordt zichtbaar als een praktijk die werkelijkheid vormgeeft. Deze verschuiving, waarin ook de avant-gardes en taalfilosofen van Wittgenstein tot Derrida hun rol speelden, bracht tegelijk een nieuwe problematiek aan het licht: wat betekent het voor de democratie wanneer de gemeenschappelijke basis van taal onder spanning komt te staan? Democratie veronderstelt gedeelde vormen van spreken, verstaanbaarheid, het vermogen om samen een wereld te articuleren. Zodra taal gefragmenteerd raakt in registers, genres en montagepraktijken, wordt de vraag urgent of communicatie nog voldoende gemeenschappelijkheid kan genereren. Voor Hirschkop is dit de kern van de crisis die modern Europa kenmerkt: een crisis waarin taal, democratie en sociale samenhang onlosmakelijk verbonden zijn.
De roman die hier besproken wordt, articuleert precies deze spanning door de inzet van factografie als poëtica. Het hoofdstuk “Factografie: een literatuur van feiten” is expliciet opgebouwd uit discursieve fragmenten die telkens paratekstueel gelabeld worden ([STENOGRAM], [DAGBOEK], [BRIEF], [ARCHIEF]). Deze labels sturen de leeshouding, dwingen de lezer telkens in een ander genre en confronteren hem met de wisseling van registers. Wat ogenschijnlijk een neutraal feit is – “Tbilisi, verlaten boekhandel, 14:35 – tijdschrift Krokodil gevonden” – wordt door de plaatsing, de witregel en het label zichtbaar als taalhandeling. Er is nooit enkel registratie, altijd ook een montage die bepaalt hoe het feit in de tekst circuleert. Juist die spanning tussen feit en vorm belichaamt wat Hirschkop als de linguistic turn omschrijft: de erkenning dat feiten slechts betekenis krijgen in discursieve contexten.
De crisis wordt zichtbaar in de figuur van Anki, de protagonist die balanceert tussen feitentaal en intieme taal. In dagboeknotities zoekt zij naar ordening: “Schrijven is ordening, niet therapie.” Maar zodra zij in gesprek treedt met Helena, of schrijft over de zelfmoord van Helena’s moeder, botst de feitelijke notitie met de morele en emotionele lading van de gebeurtenis. Waar de archiefkaart of het stenogram objectiviteit suggereert, maakt de brief of het dagboek duidelijk dat taal beladen is met schuld, herinnering, subjectiviteit. Deze botsing kan gelezen worden als de literaire pendant van Hirschkop’s diagnose: de democratische orde veronderstelt een taal die tegelijk pluraliteit en gemeenschappelijkheid toelaat, maar precies daar ontspoort de communicatie. In de roman is dat zichtbaar wanneer Anki en Helena elkaar niet meer verstaan, niet omdat ze zwijgen, maar omdat hun taalspelen uiteenlopen.
Een voorbeeld: Helena zegt dat ze “wist” dat haar moeder die nacht zou sterven. Voor Anki is dit een ondraaglijke stelling, want hoe kan men “weten” zonder handelen? De semantiek van het woord “weten” opent een kloof tussen de twee personages. Het is geen semantisch triviale kwestie, maar een moreel en existentieel conflict. In Hirschkop’s termen toont dit aan dat de crisis van taal geen theoretische curiositeit is, maar een sociale en politieke spanning: de democratische gemeenschap (in dit geval de intieme relatie) valt uiteen zodra taal niet meer voldoende gemeenschappelijke criteria biedt om betekenis te delen.
De roman plaatst deze microcrisis in een bredere historische constellatie. Door de constante verwijzingen naar LEF, Brik, Vertov, Eisenstein en de concepten van factografie en faktura, wordt duidelijk dat de protagonist haar persoonlijke crisis inschrijft in een avant-gardistisch experiment dat reeds in de jaren 1920 worstelde met gelijkaardige vragen. Brik wilde een “literatuur van het feit” ontwikkelen, maar zijn praktijk toonde dat elk feit door montage en selectie bemiddeld wordt. De roman radicaliseert dit inzicht door de montage niet enkel te beschrijven maar ook uit te voeren: de lezer moet schakelen tussen genres, zoals een burger schakelt tussen registers in het publieke domein. Het falen van eenduidigheid is niet een accidenteel probleem, maar de kern van de tekst.
Dit brengt ons terug bij Hirschkop. In Linguistic Turns betoogt hij dat de crisis van modern Europa niet kan worden opgelost door te kiezen voor één taalkader of één metafysica van taal. De uitdaging is juist om een democratische ruimte te ontwikkelen waarin de veelheid van taalpraktijken zichtbaar kan worden zonder dat ze elkaar vernietigen. De roman laat precies zien hoe moeilijk dat is: de montage van feiten en vormen schept enerzijds ruimte voor pluraliteit, maar legt anderzijds de breuken bloot die communicatie onmogelijk maken. Anki’s notities zijn pogingen om orde te scheppen, maar de witregels, de labels en de stiltes benadrukken dat die orde nooit sluitend is.
De crisis in de roman kan daarom gedefinieerd worden als de onmogelijkheid om via taal een stabiel gedeeld kader te creëren. Feiten circuleren, maar hun interpretatie verschuift telkens wanneer ze in een nieuw genre worden ingebracht. Wat democratie op macroniveau bedreigt – het verlies van gemeenschappelijke taal – verschijnt hier op microniveau: in de intieme relatie tussen twee personages, in de botsing tussen persoonlijke herinnering en feitelijk verslag, in de frictie tussen avant-gardistische theorie en dagelijkse ervaring.
Concluderend kunnen we stellen dat de roman gelezen vanuit Hirschkop’s theorie niet louter een verhaal over verlies en herinnering is, maar een performatief experiment dat de crisis van taal en democratie belichaamt. De tekst toont dat factografie nooit een neutraal project kan zijn: elk feit is altijd al discursief gevormd, en elke discursieve vorm roept vragen op over wie mee kan spreken en wie buitengesloten wordt. In die zin is de roman een hedendaagse illustratie van Hirschkop’s centrale stelling: de linguistic turn is niet voorbij, maar werkt door in de manier waarop wij – in kunst, in politiek, in intieme relaties – omgaan met taal als een altijd gebrekkige maar onontkoombare voorwaarde van ons samenleven.
Taalspel en geopolitieke crisis: Hirschkop, Saussure en Lacan
Dit verschil in taalspel uit zich ook geopolitiek. Wanneer Rusland het Europese gebied binnenvalt, ontstaat er eveneens een crisis. Die crisis leidt tot een psychose bij Anki – iets wat we kunnen interpreteren als het uiteenvallen van de taal – in termen van de Saussure of Lacan. Kun je dit verder duiden?
Ken Hirschkop betoogt in Linguistic Turns dat de crisis van modern Europa vooral zichtbaar wordt in de manier waarop taal en democratie met elkaar verbonden zijn. Democratie veronderstelt een minimum aan gemeenschappelijkheid in taal: de mogelijkheid om meningen te delen, meningsverschillen uit te spreken, en om gezamenlijk een publieke sfeer te onderhouden. Wanneer die gedeelde basis onder spanning komt te staan, bijvoorbeeld door het uiteenlopen van taalspelen of door botsende discoursen, ontstaat een fundamentele crisis. Het is niet langer duidelijk hoe men elkaar kan aanspreken of verstaan. Hirschkop laat zien dat de linguistic turn – de erkenning dat taal geen neutraal medium is maar een sociale praktijk – ons dwingt dit probleem opnieuw te doordenken.
In de roman wordt deze spanning op meerdere niveaus zichtbaar. Op microniveau verschijnt de crisis in de relatie tussen Anki en Helena. Hun gesprek over de dood van Helena’s moeder wordt getekend door een botsing van taalspelen: Helena spreekt vanuit intuïtie en schuldgevoel (“ik wist dat ze zou sterven”), terwijl Anki redeneert in termen van feiten en morele verantwoordelijkheid. Er ontstaat een kloof die niet eenvoudig door dialoog overbrugd kan worden. Deze microcrisis wordt echter gespiegeld door een bredere, geopolitieke breuk: wanneer Rusland het Europese gebied binnendringt, komt de fragiliteit van gedeelde taalspelen ook op macroniveau aan het licht. De taal van Europa en de taal van Rusland zijn niet zomaar vertaalbaar; ze vertegenwoordigen verschillende symbolische orden die elkaar niet erkennen. De oorlog is daardoor niet alleen een militair of territoriaal conflict, maar ook een discursief conflict.
Hier sluiten Saussure en Lacan aan. Saussure beschreef taal als een systeem van tekens dat bestaat uit signifiant (klankbeeld) en signifié (concept). Deze relatie is arbitrair maar functioneel stabiel zolang de gemeenschap haar onderhoudt. In Anki’s ervaring – zowel in de persoonlijke trauma’s als in de geopolitieke onrust – raakt deze stabiliteit verstoord. Het woord “weten” betekent voor haar niet hetzelfde als voor Helena; de term “feit” betekent in een Russisch avant-gardistisch archief iets anders dan in een dagboeknotitie. Zoals Saussure al suggereerde: als het netwerk van tekens uit balans raakt, verschuiven betekenissen en verliezen woorden hun vanzelfsprekendheid. In de roman wordt dit tastbaar in de fragmentatie van registers: stenogram, archiefkaart, brief en dagboek schuiven over elkaar heen zonder dat er één overkoepelend kader is dat ze samenbindt.
Lacan radicaliseert dit inzicht. Voor hem is de taal niet alleen een communicatiemiddel, maar de symbolische orde zelf: het systeem van betekenissen dat het subject inschrijft in de wereld. Psychose treedt op wanneer deze symbolische orde instort, wanneer er geen toegang meer is tot de gedeelde symbolische referenten die het subject oriënteren. In de roman wordt Anki’s psychose gekenmerkt door de ervaring dat taal uiteenvalt. Wat overblijft, zijn fragmenten, labels, witregels – sporen van taal die niet meer tot een gemeenschappelijk netwerk kunnen worden geordend. Het geopolitieke conflict versterkt dit proces: de botsing tussen Russische en Europese discursieve werelden maakt duidelijk dat er geen stabiel symbolisch veld bestaat waarin feiten, herinneringen en emoties geplaatst kunnen worden.
Op dit punt vallen Hirschkop en Lacan samen. Hirschkop spreekt over de democratische crisis van taal: hoe kan er politiek samenleven zijn wanneer er geen gedeelde taalpraktijk meer is? Lacan toont de psychische variant van dit probleem: hoe kan er subjectiviteit bestaan wanneer de symbolische orde uiteenvalt? De roman maakt beide dimensies zichtbaar. De persoonlijke psychose van Anki is geen louter innerlijke stoornis, maar een symptoom van een bredere historische crisis waarin taal zelf onstabiel wordt. De geopolitieke breuk en de intieme breuk resoneren in elkaar.
Het begrip factografie – Briks ideaal van een literatuur van feiten – krijgt in deze context een ambivalente betekenis. Enerzijds lijkt factografie een antwoord: door feiten te registreren, door stenogrammen en archiefkaarten te maken, wordt geprobeerd om een basis van gedeelde werkelijkheid te scheppen. Anderzijds toont de roman dat ook deze feiten alleen bestaan binnen discursieve kaders en dat de kaders zelf breken zodra de taalspelen botsen. De factografische methode wordt zo een symptoom van de crisis: ze wil neutraliteit waar er enkel fragmentatie is.
Concluderend kan men zeggen dat de roman de crisis die Hirschkop beschrijft performatief belichaamt. De taal valt uiteen in registers die elkaar niet meer garanderen; het subject desintegreert in psychose; de democratische orde verliest haar communicatieve grond. In Saussureaanse termen: de band tussen signifiant en signifié is losgeraakt. In Lacaniaanse termen: de symbolische orde heeft haar houvast verloren. In Hirschkopiaanse termen: de democratie kampt met een taalcrisis die niet extern maar constitutief is. De roman wordt daarmee een eigentijdse allegorie van de linguistic turn: een tekst die toont dat taal zowel de voorwaarde is van betekenisvol samenleven als het veld waarin dat samenleven telkens opnieuw dreigt uiteen te vallen.
Elitisme, ontoegankelijkheid en democratie
Als taalkundige en literaire theorie historisch in handen van een intellectuele elite bleef, hoe kan een roman die zich expliciet op die theorie beroept, zoals De narratieve code, kritisch en ontoegankelijk zijn, en wat betekent dat voor haar democratische potentie?
Kan de ontoegankelijkheid van een roman gelezen worden als een vorm van kritiek op de ongelijke verdeling van taal en kennis in de samenleving?
Is ontoegankelijke literatuur elitair, of is zij juist de meest radicale vorm van democratie omdat zij de lezer dwingt de kloof tussen elitekennis en volksmassa te ervaren?
Een van de paradoxen van de twintigste-eeuwse taalfilosofie, zoals Ken Hirschkop overtuigend heeft laten zien, is dat de linguistic turns tegelijk een enorme democratische belofte én een intellectueel elitair project vormden. Enerzijds werd taal begrepen als het terrein waar collectiviteit en democratie vorm kregen: taal is immers datgene wat men deelt. Anderzijds waren het juist kleine groepen linguïsten, filosofen en avant-gardistische kunstenaars die deze inzichten ontwikkelden en beheersten. Voor de “volksmassa” bleven deze theorieën ontoegankelijk.
De narratieve code problematiseert precies deze kloof. De roman neemt de ontoegankelijkheid niet weg door zich te simplificeren of te vertalen naar een eenduidige verhaallijn. Integendeel: hij belichaamt de ontoegankelijkheid als kritische methode. Door montage, paratekstuele labels en fragmentatie weigert de roman de lezer de geruststelling van transparantie of narratieve helderheid. Daarmee wordt zichtbaar dat elke toegang tot taal altijd gemedieerd is en dus ongelijk verdeeld. De ontoegankelijkheid functioneert niet als obstakel, maar als politiek statement: taal en macht zijn niet egalitair verdeeld, en literatuur die dit negeert, maskeert die ongelijkheid slechts.
Vanuit Hirschkop’s perspectief kunnen we dit lezen als de spanning tussen orde en mythe. De orde van taaltheorieën: Saussure’s differentiële systeem, Wittgenstein’s language-games, Bakhtins heteroglossia, behoort tot het domein van de specialisten, de elite die deze kaders kan articuleren. De mythische en irrationele dimensie van taal daarentegen: psychose, zaum, trauma, verschijnt in de roman als ervaringslaag die zich niet laat reduceren tot theorie. Door beide dimensies te combineren, legt De narratieve code bloot hoe de kloof tussen elitekennis en volksmassa niet kan worden opgelost, maar alleen kan worden ervaren.
In die zin is de ontoegankelijkheid van de roman paradoxaal democratisch. Democratie is hier niet het ideaal van onmiddellijke consensus, alsof iedereen dezelfde taal en betekenis zou delen. Democratie bestaat eerder in de erkenning van verschil, in het verdragen van polyfonie, en in het besef dat taal altijd ontoegankelijkheden bevat. De roman maakt de lezer onderdeel van deze spanning: wie leest, wordt gedwongen te ervaren dat betekenis niet kant-en-klaar beschikbaar is, maar moet worden bevochten.
Door ontoegankelijk te zijn, sluit De narratieve code zich dus niet af van democratische cultuur, maar herdefinieert die: ze toont dat de fundamentele ervaring van democratie niet transparantie of duidelijkheid is, maar de gedeelde confrontatie met taal als crisis. Elitisme en ontoegankelijkheid zijn hier geen tekortkomingen, maar methodes om de lezer bewust te maken van de fragiele, conflictueuze en politieke aard van taal.
Leave a comment