Literaire tijdschriften zijn meer dan verzamelingen teksten. Hun pagina’s brengen schrijvers, kunstenaars, redacteurs, lezers en politieke ideeën met elkaar in contact. Tijdens de vroege apartheid vervulden Zuid-Afrikaanse magazines als Drum, Wurm en Izwi/Voice/Stem die verbindende functie onder bijzonder moeilijke omstandigheden. Ze boden ruimte aan literair experiment en politieke oppositie, maar maakten ook deel uit van internationale netwerken waarin ideeën over dekolonisering, moderniteit en culturele autonomie circuleerden.

Mijn onderzoek vertrekt vanuit de vraag hoe deze Zuid-Afrikaanse “little magazines” tussen 1948 en 1968 functioneerden als transnationale media van culturele en politieke expressie. Daarbij onderzoek ik niet alleen wat er in de tijdschriften werd gepubliceerd, maar ook hoe hun materiële vorm, redactionele structuur en verspreiding betekenis produceerden. Typografie, illustraties, taalkeuzes en de ordening van teksten waren geen neutrale verpakking: ze bepaalden mee welke wereld het tijdschrift voor zijn lezers denkbaar maakte.

In de bestaande geschiedenis van het modernistische tijdschrift ligt de nadruk nog vaak op Londen, Parijs en New York. Peter Brooker en Andrew Thacker beschrijven tijdschriften als “manifesto spaces”: plaatsen waar nieuwe artistieke bewegingen zichzelf formuleren en een publiek creëren (2009). Tijdschriften uit Sub-Sahara-Afrika blijven binnen die geschiedschrijving echter relatief weinig zichtbaar. Daardoor ontstaat gemakkelijk de indruk dat modernistische vormen eerst in Europa en Noord-Amerika werden ontwikkeld en pas later naar Afrika reisden.

Eric Bulsons begrip van het little magazine als “world form” biedt een ander perspectief. Volgens hem is het literaire tijdschrift een vorm die op verschillende plaatsen tegelijk lokale én mondiale functies kan vervullen (Bulson 2017). Zuid-Afrikaanse magazines hoeven vanuit die benadering niet als perifere navolging van Europese voorbeelden te worden gelezen. Ze kunnen worden beschouwd als zelfstandige knooppunten waar uiteenlopende talen, esthetische tradities en politieke ervaringen samenkwamen.

De levens en publicatietrajecten van Es’kia Mphahlele en Wopko Jensma maken die beweging concreet. Mphahlele was verbonden aan Drum en vertrok na zijn uitsluiting uit het Zuid-Afrikaanse onderwijs in ballingschap. Via Nigeria, Frankrijk en de Verenigde Staten werd hij een sleutelfiguur binnen internationale intellectuele netwerken. In Nigeria werkte hij mee aan Black Orpheus, dat een belangrijk platform werd voor pan-Afrikaanse literatuur en esthetiek.

Jensma bewoog zich op een andere manier tussen culturele en raciale posities. Zijn meertalige poëzie, hout- en linosneden verbinden Afrikaanse beeldtradities met dadaïsme en surrealisme. Via Phil du Plessis en het tijdschrift Wurm kwam hij in contact met andere experimentele dichters en redacteurs. Zijn werk circuleerde vervolgens ook in Nederlandstalige tijdschriften als Labris en De Tafelronde. Daardoor wordt zichtbaar hoe Zuid-Afrikaanse avant-gardepraktijken niet geïsoleerd ontstonden, maar deel uitmaakten van netwerken tussen Afrikaans, Engels, Nederlandse literatuur en lokale Zuid-Afrikaanse talen.

Tegelijk vraagt deze circulatie om aandacht voor ongelijke machtsverhoudingen. Afrikaans was aanvankelijk zelf ondergeschikt aan het Britse koloniale gezag, maar werd tijdens de apartheid een institutioneel instrument van onderdrukking. Het concept “minor transnationalism” helpt om zowel verticale relaties tussen dominante en ondergeschikte talen als horizontale relaties tussen gemarginaliseerde gemeenschappen te onderzoeken (Lionnet en Shih 2005). De uitwisseling tussen tijdschriften was daarom nooit louter literair: ze werd bepaald door ras, taal, censuur, toegang tot uitgevers en bewegingsvrijheid.

Ook de huidige verblijfplaats van de tijdschriften maakt deel uit van hun betekenis. Exemplaren bevinden zich tegenwoordig in collecties in Zuid-Afrika, België en Nederland. Instellingen zoals het Documentation Centre for African Studies van UNISA, het Poëziecentrum in Gent en het Zuid-Afrikahuis in Amsterdam bepalen mee wat wordt bewaard, beschreven en digitaal toegankelijk gemaakt. Het archief is geen neutrale opslagplaats, maar een omgeving waarin documenten opnieuw worden geselecteerd en gewaardeerd (Derrida 1995; Morra 2020).

Door tekstuele analyse te combineren met archief- en netwerkonderzoek wil dit project een andere kaart van het literaire modernisme tekenen. Op die kaart zijn Johannesburg en Kaapstad geen perifere halteplaatsen, maar actieve centra van culturele productie. De tijdschriften bewogen tussen auteurs, talen en instellingen. Juist die beweging maakt zichtbaar hoe Afrikaanse moderniteit en Black internationalism niet alleen in afzonderlijke teksten, maar ook in de materiële en sociale vorm van het magazine gestalte kregen.

Bronnen

Brooker, Peter en Andrew Thacker, red. The Oxford Critical and Cultural History of Modernist Magazines. Oxford University Press, 2009.

Bulson, Eric. Little Magazine, World Form. Columbia University Press, 2017.

Derrida, Jacques. Archive Fever: A Freudian Impression. University of Chicago Press, 1995.

Lionnet, Françoise en Shu-mei Shih, red. Minor Transnationalism. Duke University Press, 2005.

Morra, Linda M. Moving Archives. Wilfrid Laurier University Press, 2020.

Leave a comment