Dit essay gaat over taal, zorg en curatorschap in een familiearchief dat door mijn moeder wordt bewaard in een oude schoendoos in haar hobbykamer. De vergeelde brieven, postkaarten en foto’s vertellen over een transnationale familiegeschiedenis die zich afspeelt tussen België, Frankrijk, Duitsland en het vroegere Tsjechoslowakije.
Dit essay is een work in progress. Terwijl ik het belang van de Val van de Berlijnse Muur probeer te begrijpen, ontsluit ik een stukje familiegeschiedenis.
Een kromme zin op een oude kaart laat zien wat officiële geschiedenissen gemakkelijk uitwissen: dat grenzen niet alleen landen van elkaar scheiden, maar ook families, talen en vormen van zorg. Juist waar de taal hapert, wordt de moeilijke relatie tussen familieleden zichtbaar.
Viel grüssen aus Czechoslovakia. Dat gij koste komen en veloo.
Veel groeten uit Tsjechoslowakije. Ik wou dat je met de fiets kon komen.

Een zin die nergens thuishoort
Op het eerste gezicht lijkt de boodschap vooral slecht geschreven. Het Duits klopt niet helemaal: het gebruikelijke Viele Grüße is vervormd tot Viel grüssen, een taalvorm die hapert tussen Nederlands en Duits. De naam van het land verschijnt niet in het Duits, Nederlands, Tsjechisch of Slowaaks, maar in het Engels: Czechoslovakia. Daarna kantelt de zin naar het Vlaams: Dat gij koste komen en veloo. Zelfs velo krijgt een extra klinker, alsof de fiets nog wat langer over de grens moet rijden.
Wie de boodschap vertaalt, kan haar gemakkelijk verbeteren. “Greetings from Czechoslovakia, I wish you could come visit by bike” klinkt helder en grammaticaal. Toch verdwijnt in die correcte Engelse zin bijna alles wat de kaart betekenis geeft. De vertaling bewaart de mededeling, maar wist de beweging uit. Een keurige boodschap in één taal wist de meertalige toenaderingspoging om grenzen en emotionele barrières te doorkruisen uit.
De oorspronkelijke zin hoort nergens volledig thuis. Hij toont geen verzameling afzonderlijke talen die vreedzaam naast elkaar staan, maar een spreker die zich met de beschikbare woorden naar een vervreemd familielid toe beweegt. Duits, Engels en Vlaams zijn hier geen gesloten taalsystemen die netjes los van elkaar bestaan. Hun grenzen worden uitgewist, en de taal wordt materiaal: iets wat kan worden geleend, verbogen en aan elkaar gezet om afstand te overbruggen.
Ik vond de zin tussen brieven en postkaarten uit een familiearchief, zorgvuldig door mijn moeder bewaard in een schoendoos in haar hobbykamer. Het zijn bescheiden documenten. Ze dragen geen staatsgeheimen en verklaren geen historische omwenteling. Ze bevatten groeten, verlangens, praktische mededelingen en soms nauwelijks meer dan de bevestiging dat iemand nog aan de andere kant van de Berlijnse Muur bestaat. Toch bewaren juist zulke papieren een geschiedenis die in officiële archieven moeilijk te vinden is: de geschiedenis van mensen die contact probeerden te houden terwijl politieke grenzen hun bewegingsvrijheid, hun taal en hun voorstelling van nabijheid bepaalden, contact bemoeilijkten en communicatie censureerden.
Een land als adres
Tsjechoslowakije bestaat sinds 1 januari 1993 niet meer. De federatie werd toen opgesplitst in Tsjechië en Slowakije. Op de postkaart in mijn familiearchief blijft het land echter intact. Czechoslovakia wordt een plaats van herinnering (lieu de mémoire) vanwaar iemand groeten verstuurt, over staatsgrenzen, over generaties en over tijd.
De landkaart presenteert grenzen als lijnen en territoria als vlakken. De postkaart maakt van dat territorium een afstand tussen twee mensen. Ze verbindt een plaats van vertrek met een veronderstelde plaats van aankomst. Haar geografische logica is relationeel: hier is iemand die schrijft, daar is iemand die moet lezen, en tussen beide polen bevindt zich een route die door postdiensten, regimes, talen en familiegeschiedenissen mogelijk wordt gemaakt of wordt bemoeilijkt. Tot de boodschap uiteindelijk bij een ver familielid belandt die de oorspronkelijke historische, sociale en politieke context niet meer kent, maar die desondanks de toenaderingspoging voelt in de wens: “dat gij koste komen en veloo.”
Een familiearchief bewaart de afgelegde route van zender naar ontvanger niet als een doorlopend verhaal. Het bestaat uit resten. Een postkaart kan een datum of poststempel dragen, maar gebeurtenissen worden bekend verondersteld en (familiale en nationale) conflicten blijven vaak buiten beeld. Wie later leest, ziet de sporen van een verhouding zonder nog toegang te hebben tot de volledige verhouding zelf.
Dat tekort is geen gebrek dat eenvoudig kan worden aangevuld. Het is een eigenschap van het archief. De kaart vertelt niet alles wat tussen afzender en ontvanger speelde. Ze toont wat op dat ogenblik gezegd kon worden, wat de schrijver de moeite van het versturen waard vond en wat een grens van het IJzeren Gordijn mocht passeren. Ook het banale is daarom historisch geladen. Een groet kan tegelijk genegenheid, plicht en geruststelling zijn. Een uitnodiging kan een werkelijk plan uitdrukken, maar ook de pijn verzachten van een bezoek dat waarschijnlijk niet zal plaatsvinden.

Daarom wil ik de kromme taal niet behandelen als ruis rond de eigenlijke boodschap. De taal is zelf een gebeurtenis en draagt betekenis. In de onvaste spelling en de mengvorm van talen wordt zichtbaar dat de schrijver zich niet binnen één nationale of taalkundige ruimte bewoog. De kaart is geen neutrale drager van reeds bestaande verbondenheid; tijdens het schrijven maakt zij die verbondenheid opnieuw, als een bricoleur verzamelt de auteur restjes taal.
Taal die de grens oversteekt
Het begrip meertaligheid helpt om vast te stellen welke talen in een tekst aanwezig zijn. Transtaligheid legt een ander accent. Het vraagt wat er gebeurt wanneer een spreker zich tussen talen beweegt en de grenzen ervan niet eerbiedigt. In zo’n benadering is taal geen bezit dat netjes samenvalt met afkomst of territorium. Taal reist met mensen mee, verandert door contact en draagt eerdere ontmoetingen in zich.
Ook culturen zijn dan geen afgesloten eenheden die eerst zelfstandig bestaan en pas later iets met elkaar uitwisselen. Anja van de Pol-Tegge beschrijft culturele transfer als een proces waarin teksten, bemiddelaars en ontvangende contexten samen bepalen wat wordt overgedragen en hoe het onderweg verandert. De ontvangende cultuur is geen lege bestemming. Ze selecteert, herschikt en interpreteert. Wat aankomt, is nooit identiek aan wat vertrok.
Dat geldt op kleine schaal ook voor een postkaart. De schrijver gebruikt woorden die de ontvanger vermoedelijk kan verstaan. De ontvanger leest ze vanuit een eigen taalomgeving en een gedeelde familiegeschiedenis. Betekenis bevindt zich niet uitsluitend in de tekst, maar ontstaat tussen verzenden en ontvangen. De spelfouten zijn daardoor niet alleen tekenen van ontoereikende taalbeheersing. Ze laten zien hoeveel aanpassing er nodig is om elkaar te bereiken.

Een relationele blik mag de machtsverhoudingen achter die aanpassing niet uitwissen. Transtaligheid klinkt soms alsof alle talen zich vrij en gelijkwaardig door de wereld bewegen. Dat deden de mensen op deze kaarten niet. Tijdens de Koude Oorlog waren reizen, communicatie en gezinshereniging afhankelijk van politieke regimes, visa, geld, infrastructuur en toezicht. Sommige talen boden meer toegang dan andere. Sommige grenzen konden door de ene persoon gemakkelijker worden overschreden dan door de andere.
Interconnectedness is daarom geen alternatief voor macht, maar een manier om te onderzoeken hoe mensen binnen ongelijke omstandigheden toch relaties vormgaven. De postkaart getuigt zowel van verbinding als van belemmering. Als er geen afstand was, hoefde niemand te wensen dat de ander met de fiets kon komen naar een communiefeest.
Zorg op afstand
In haar essay “Iron Curtains? Care, Desire and Emotional Conflict” onderzoekt Maria Vlček haar eigen transnationale familiegeschiedenis. Haar vader ontvluchtte tijdens de Koude Oorlog Tsjechoslowakije en vestigde zich in Nederland. Aan de hand van brieven, dagboeken, gesprekken en herinneringen laat Vlček zien dat zorg over afstand niet alleen bestaat uit geld, praktische hulp of regelmatige communicatie. Zorg heeft ook een zintuiglijke en imaginaire dimensie. Afwezige familieleden blijven aanwezig in gewoonten, verwachtingen en innerlijke gesprekken. Tegelijk is die aanwezigheid nooit uitsluitend troostend: verlangen, schuld, verplichting en conflict lopen door elkaar.
Dat inzicht voorkomt een sentimentele lezing van het familiearchief. Het zou verleidelijk zijn om elke postkaart te zien als bewijs dat liefde sterker was dan het IJzeren Gordijn. Maar correspondentie heft afstand niet op. Ze maakt afstand voelbaar en soms zelfs groter. Een brief kan nabijheid scheppen, maar ook tonen wie niet kwam, wie niet antwoordde of wie jarenlang dezelfde belofte herhaalde.
Zorg op afstand is bovendien zelden symmetrisch. De ene persoon schrijft vaker, reist verder of voelt zich sterker verplicht om het contact te onderhouden. De andere bewaart, zwijgt of antwoordt in een taal die niet volledig de zijne is. Wat later als een familieband verschijnt, bestond in het dagelijks leven uit arbeid: adressen bijhouden, postzegels kopen, nieuws doseren, vertalen, wachten.
Laura Merla en Loretta Baldassar noemen transnationale families geen gebroken versies van families die dicht bij elkaar wonen. Het zijn families die hun gevoel van samenhang juist over grenzen heen moeten produceren. Daarbij circuleren niet alleen geld en goederen, maar ook emotionele en praktische steun. De postkaart is een van de technieken waarmee zo’n familie zichzelf bijeenhoudt.
Het woord techniek klinkt koel, maar het maakt iets wezenlijks zichtbaar. Familie is niet alleen een gevoel dat vanzelf blijft bestaan. Ze wordt actief onderhouden. Soms gebeurt dat met een telefoongesprek of een bezoek, soms met een kaart waarop nauwelijks plaats is voor meer dan een groet. Het kleine formaat dwingt de schrijver tot selectie. Wat overblijft, is niet noodzakelijk het belangrijkste, maar wel het overdraagbare.

Verder lezen
1. Anja van de Pol-Tegge, “Cultural Transfer and the Sociology of Translation: A Processual Approach,” Translation in Society 2, nr. 2 (2023): 146-166, https://doi.org/10.1075/tris.23005.van.
2. Maria Vlček, “Iron Curtains? Care, Desire and Emotional Conflict,” Recherches sociologiques et anthropologiques 41, nr. 1 (2010): 59-81, https://doi.org/10.4000/rsa.187.
3. Laura Merla en Loretta Baldassar, “Les dynamiques de soin transnationales entre émotions et considérations économiques,” Recherches sociologiques et anthropologiques 41, nr. 1 (2010): 1-14, https://doi.org/10.4000/rsa.182.
4. Thari Jungen en Friederike Nastold, “Ambivalences of Care/Curare: Solidarity Networks and Curatorial Practices as a Form of Collective Resistance,” Acta Academiae Artium Vilnensis 118 (2025): 78-97, https://doi.org/10.37522/aaav.118.2025.312.
5. Silvia Federici, Caliban and the Witch: Women, the Body and Primitive Accumulation (Londen: Penguin Classics, 2022); Silvia Federici, Re-Enchanting the World: Feminism and the Politics of the Commons (Oakland: PM Press, 2018).

Leave a comment