Drie interpretaties van vortex als vorm in BLAST 1 (1914)

Dit essay onderzoekt hoe natuurwetenschappelijke begrippen als energie, vortex en entropie in de literatuur en de beeldende kunst een culturele en politieke betekenis krijgen. Aan de hand van drie bijdragen aan het Britse avant-gardetijdschrift BLAST (1914) analyseert het essay hoe Henri Gaudier-Brzeska, Wyndham Lewis en Ezra Pound de koppeling tussen energie, arbeid en efficiëntie naar het artistieke domein vertalen. Bij Gaudier-Brzeska verschijnt de vortex als plastische beschavingskracht, bij Lewis als intellectuele beheersing en bij Pound als maximale esthetische efficiëntie. Vanuit het werk van Cara New Daggett, Donna Haraway en N. Katherine Hayles betoogt het essay dat artistieke vorm niet alleen een historische context en energetische prijs heeft, maar dat ook lichamen, culturen en gebieden deze prijs ongelijk dragen. Op die manier verbindt het essay literatuurwetenschappelijk geïnspireerde wetenschapsgeschiedenis met postkoloniale feministische ecokritiek.

‘VORTEX IS ENERGY!’ – Henri Gaudier-Brzeska, BLAST 1 (1914)

Inleiding: energie als historisch en materieel-semiotisch begrip

Wat gebeurt er wanneer een natuurwetenschappelijk begrip de kunst binnendringt? Energie lijkt tegelijk een exact en een ongrijpbaar begrip. In de fysica benoemt het een behoudsgrootheid, als culturele metafoor of trope kan het verwijzen naar levenskracht, beweging, productiviteit of scheppingsdrang. Die ambiguïteit maakte het begrip aantrekkelijk voor kunstenaars die niet langer wilden afbeelden wat al bestond, maar nieuwe vormen wilden voortbrengen. Het gebruik van het natuurwetenschappelijke concept energie kent echter ook een politieke lading. Zodra energie als universele maat voor beweging, arbeid en ontwikkeling gaat functioneren, bepaalt het begrip mede welke lichamen, materialen en samenlevingen als productief worden beschouwd, en welke als passief, ruis of verspilling verschijnen.

Cara New Daggett vertrekt in The Birth of Energy (2019) van een provocerende historische stelling: energie is voor haar geen tijdloos object dat de negentiende-eeuwse wetenschap alleen nog hoefde te ontdekken. Het moderne begrip kreeg zijn wetenschappelijke samenhang in de jaren 1840, op het hoogtepunt van de Industriële Revolutie, binnen netwerken van vooral Noord-Britse ingenieurs en natuurwetenschappers die betrokken waren bij stoomtechniek, scheepsbouw, telegrafie en imperiale infrastructuur. Thermodynamica maakte uiteenlopende processen zoals warmte, beweging, elektriciteit en menselijke, dierlijke of mechanische arbeid, onderling vergelijkbaar als omzettingen van één grootheid: energie. Daarmee ontstond niet alleen nieuwe kennis over de natuur, maar ook een nieuwe manier om de wereld als beschikbaar vermogen te ordenen (Daggett 2019, 3-7):

Indeed, the politics of energy draws heavily upon an energy logic that, in hindsight, represents an engineer’s narrow application of processes of heat exchange more than it reflects the multigaceted oddities of energy physics writ large. The dominance of the work ethic in policing the boundaries of fuel governance is manifestly evident. While the work ethic itself has dramatically shifted since the Victorian age, the notion that work is central to life still reigns in the Global North, and especially in the United States, such that “the fact at present one must work to ‘earn a living’ is taken as part of the natural order rather than as a social convention. (Daggett, 2019: 9)

Daggetts genealogie verschuift de aandacht van energiebronnen naar de politieke rationaliteit van energie zelf. De koppeling tussen energie en arbeid maakte het mogelijk lichamen, machines en brandstoffen op eenzelfde schaal van productiviteit te plaatsen. Efficiëntie kreeg een morele betekenis. Wie energie doelmatig in arbeid omzette, gold als dynamisch en ontwikkeld; wie energie niet volgens industriële normen productief maakte, kon als lui, verspillend, ‘onbeschaafd’ of ‘onderontwikkeld’ worden voorgesteld. Het Victoriaanse energiebegrip was daardoor verweven met fossiel kapitalisme, arbeidsdiscipline en imperiale classificatie, maar wordt ook ontmaskerd als een drijvende kracht achter kolonisatie. Daggett noemt die vervlechting van energiekennis en bestuursmacht energopolitiek (Daggett, 2019).

Daarmee beweert Daggett niet dat de wetten van de thermodynamica slechts ideologie zijn. Haar punt is dat een fysische grootheid nooit zonder politieke bemiddeling een maatschappelijk, wetenschappelijk of educatief programma wordt. De historische keuze om energie vooral als vermogen tot arbeid te begrijpen, bepaalde welke vragen werden gesteld, welke omzettingen werden gemeten en welke vormen van leven als nuttig werden gewaardeerd. Energie stroomt door brandstoffen, lichamen en machines, maar is tegelijk een metafoor die instellingen en grote verhalen drijft. Precies daarom kan een literair tijdschrift als BLAST worden gelezen als een plaats waar de politieke erfenis van de thermodynamica esthetisch wordt herschikt.

Voor die dubbele status sluit Daggett aan bij Donna Haraways begrip natureculture. Haraway stelt dat mensen tegelijk ‘als’ en ‘in’ een biologische wereld leven, terwijl biologie een historisch gesitueerde manier blijft om die wereld te kennen (Haraway en Goodeve, 2000: 24-25). Natuur en cultuur kunnen daarom niet als twee afzonderlijke domeinen worden behandeld: wetenschappelijke begrippen ontstaan in materiële praktijken en brengen op hun beurt nieuwe verhoudingen tussen mensen, niet-mensen en technieken voort. Energie is in die zin geen vrijblijvende metafoor voor een vooraf gegeven werkelijkheid, maar een materieel-semiotische figuur: een vorm waarin lichamen, machines, brandstoffen, kennis en macht tijdelijk met elkaar worden verbonden.

Haraways latere onderscheid tussen autopoiesis en sympoiesis scherpt deze inzet verder aan. Waar autopoiesis de nadruk legt op een systeem dat zichzelf voortbrengt, betekent sympoiesis letterlijk ‘maken-met’: geen enkele vorm ontstaat uit zichzelf of bezit volledig haar eigen voorwaarden (Haraway 2016). Als analytische lens maakt dit onderscheid zichtbaar wat de vorticistische voorstelling van geconcentreerde energie soms wegdrukt. Een kunstwerk wordt niet uitsluitend door een autonoom genie uit innerlijke kracht geschapen. Het ontstaat in relaties met materiaal, arbeid, techniek, andere culturen en een omgeving. De vraag naar energie wordt daarmee ook een vraag naar afhankelijkheid: welke relaties erkent een esthetische vorm, en welke energiebronnen of lichamen verdwijnen achter de voorstelling van autonomie? Welk werk wordt als productief gezien, en wat zien we cultureel als ‘verspilling’ of ‘afval’.

N. Katherine Hayles biedt vervolgens de methodologische brug tussen wetenschapsgeschiedenis en literaire analyse. In Chaos Bound (1990) legt ze uit dat overeenkomsten tussen wetenschappelijke, literaire en kritische discoursen ontstaan via terugkoppelings-lussen binnen een gedeelde culturele matrix. Tegelijk blijven de verschillen tussen disciplines betekenisvol: een thermodynamische wet, een politiek ideaal en een artistieke metafoor doen niet hetzelfde, ook wanneer zij dezelfde woorden gebruiken (Hayles 1990, 6-7). Deze benadering maakt het mogelijk de vorticistische taal van energie historisch ernstig te nemen zonder Gaudier-Brzeska, Lewis of Pound achteraf tot thermodynamici te maken.

Hayles’ onderzoek naar cybernetica en posthumanisme voegt daar een tweede beweging aan toe. How We Became Posthuman (1999) reconstrueert hoe informatie in de twintigste eeuw als een schijnbaar onbelichaamd patroon kon worden gedacht en hoe de autonome liberale mens plaatsmaakte voor een subject dat deel uitmaakt van informatische en technische circuits (Hayles 1999). Dat perspectief bereidt de latere lectuur van Pynchon voor. Waar de vorticisten energie willen concentreren in een beheersbaar centrum, vraagt Pynchon wat er met het lichaam, de omgeving en de waarnemer gebeurt wanneer ordening als informatieverwerking wordt begrepen.

Daggett, Haraway en Hayles vervullen in dit essay dus verschillende maar complementaire functies. Daggett levert een genealogie van de energie-arbeidkoppeling; Haraway maakt zichtbaar dat energie een relationele natureculture is en geen objectieve weergave van de natuur. Ook ‘wetenschappelijke’ theorieën zijn beladen met ideologie en waarden. Hayles verklaart hoe wetenschappelijke en literaire vormen binnen een culturele matrix op elkaar kunnen resoneren. Samen leiden zij tot drie vragen die in iedere casus terugkeren: wat geldt als energie, wie of wat kan die energie concentreren, en welke arbeid, afhankelijkheid of ‘verspilling’ wordt door die voorstelling zichtbaar of juist onzichtbaar gemaakt? Voortbouwend op deze vragen gaan we vervolgens op zoek naar een alternatieve logica om productiviteit, arbeid en energie te conceptualiseren.

Toen het eerste nummer van BLAST in 1914 verscheen, was de Victoriaanse periode voorbij. Het tijdschrift kan daarom niet als een rechtstreekse uitdrukking van Victoriaanse industrialisatie worden behandeld. Het toont wel hoe de negentiende-eeuwse energie-arbeidkoppeling in het vroege modernisme bleef doorwerken en nieuwe esthetische functies kreeg. De machine, de grootstad en de imperiale wereldorde vormden de materiële omgeving van de Londense avant-garde; begrippen als kracht, arbeid, efficiëntie en verspilling leverden een taal waarmee kunstenaars hun breuk met naturalisme en impressionisme konden formuleren.

BLAST als casestudy: drie modernistische vortices

Binnen BLAST nummer 1 krijgt de vortex drie onderscheiden betekenissen. Bij Henri Gaudier-Brzeska wordt energie plastisch: historische en omgevingskrachten kristalliseren in massa, vlak en geometrie. Zijn schema bewaart echter ook de universaliserende en raciale logica van de Victoriaanse energopolitiek, omdat culturen volgens hun vermeende vormkracht op een evolutionaire ladder worden geplaatst. Wyndham Lewis verplaatst energie naar het autonome bewustzijn van de kunstenaar. Maximale energie bevindt zich in het stille centrum dat de moderne commotie beheerst; arbeid verschijnt hier als zelfdiscipline en intellectuele soevereiniteit. Ezra Pound formuleert ten slotte de meest mechanische variant. Zijn vortex is het punt van maximale energie en grootste efficiëntie: een poëtische vorm die betekenis verdicht en haar vermogen nog niet in uitleg heeft verbruikt.

Deze drie bijdragen vormen geen uniforme vorticistische energieleer. Juist hun verschil maakt ze geschikt als casestudy. Gaudier-Brzeska legt de nadruk op de universaliteit van energie als beschavingskracht, Lewis op beheersing en Pound op efficiënte omzetting. Samen vertalen zij drie centrale kenmerken van het negentiende-eeuwse energiebegrip: vergelijkbaarheid, productiviteit en controle, naar een poetica van artistieke vorm. De vortex wordt zo een modernistische metafoor waarin de Victoriaanse droom om de wereld aan het werk te zetten voortleeft, ook wanneer het kunstwerk zich als radicaal nieuw en autonoom presenteert.

Vanuit het geschetste theoretische kader leest dit essay de drie vortices in BLAST 1 (1914) als verschillende esthetische bewerkingen van een modernistisch fossiel-industrieel energieregime. Vervolgens verschuift de aandacht naar Thomas Pynchon die als postmodern kader geldt. Tussen BLAST en Pynchon loopt geen aantoonbare, rechte invloedslijn. Wel wordt een cultuurhistorische verandering zichtbaar: het modernistische vertrouwen in concentratie, autonomie en efficiëntie maakt plaats voor een postmoderne aandacht voor entropie, informatie, terugkoppeling en de kosten van ordening. De overgang van vortex naar entropie is toont een veranderend inzicht in de relaties waaruit vorm ontstaat. De manier waarop concepten als energie binnen het modernisme circuleren, tonen niet alleen hoe machtsverhoudingen politiek werden georganiseerd, maar ook hoe zij binnen literatuur vorm kregen. Het little magazine BLAST functioneert hier als historische bron voor een wetenschapsfilosofische paradigmaverschuiving die politiek werd ingezet en cultureel werd verspreid via literatuur.  

1. Gaudier-Brzeska: energie als plastische beschavingskracht

Gaudier-Brzeska opent zijn bijdrage ‘Vortex Gaudier-Brzeska’ met een relationele definitie van sculptuur. Sculpturaal gevoel is het waarnemen van massa’s in hun onderlinge verhouding; sculpturale vaardigheid bestaat erin die massa’s door vlakken te definiëren (Gaudier-Brzeska, 1914: 155). Vorm is bij hem dus nooit een geïsoleerd object. Zij ontstaat uit de spanning tussen massa, vlak, omgeving en menselijke ervaring.

De formule ‘VORTEX IS ENERGY!’ condenseert dat inzicht. De vortex is het krachtveld waaruit een vorm tevoorschijn komt. In enkele overrompelende bladzijden herschrijft Gaudier-Brzeska vervolgens de wereldgeschiedenis van de sculptuur als een opeenvolging van energetische regimes. Jacht, oorlog, landbouw, vruchtbaarheid en angst brengen telkens andere volumes voort: de bol, de horizontale massa, de cilinder, de kegel en uiteindelijk de kubus. De omgeving wordt niet eenvoudig gerepresenteerd; haar krachten worden in materie en geometrie omgezet.

Voor de westerse kunst gebruikt hij een even groteske als programmatische metafoor. De vortex bracht tijdens de Renaissance nog vaste uitwerpselen voort, werd daarna vloeibaar en eindigde in fluitende gassen. Het impressionisme vormt het eindpunt van die ontstoffelijking: contour en massa lossen op in licht, atmosfeer en indruk. De drie toestanden van materie worden zo een waardeoordeel. Vastheid staat voor intense vormproductie; gas voor verspreiding en verlies aan plastisch vermogen.

(Gaudier-Brzeska, BLAST 1914: 155)

Gaudier-Brzeska’s vortex ontleent haar vormvermogen aan verschillen: tussen massa en ruimte, horizontaal en verticaal, hard materiaal en menselijke druk. Wanneer die verschillen vervagen, blijft er misschien beweging over, maar geen kracht meer die een specifieke vorm kan dragen. Deze vergelijking is verhelderend zolang we haar als analogie behandelen; Gaudier-Brzeska ontwikkelt zelf geen thermodynamische theorie.

Zijn universalistische schema toont tegelijk het politieke gevaar van zo’n analogie. Gaudier-Brzeska verbindt plastische vormen met vermeende raciale temperamenten en ordent samenlevingen volgens een evolutionistische ladder. Hij spreekt over ‘Hamitische’, ‘Semitische’ en ‘Mongoolse’ vortices en plaatst Afrikaanse en Oceanische culturen dicht bij een paleolithisch stadium. Daardoor wordt een relationeel uitgangspunt alsnog een hiërarchische beschavingsgeschiedenis. Energie verklaart niet alleen hoe vorm ontstaat; zij dreigt ook culturele verschillen tot natuurlijke eigenschappen te reduceren. Juist daar raakt het vorticisme aan de energieretoriek die arbeid, land en volkeren op één schaal van productiviteit en ontwikkeling plaatste. In Daggetts termen wordt plastische energie hier energopolitiek: de maatstaf van vormvermogen verdeelt tegelijk culturele waarde en bestuurlijke macht (Daggett 2019).

2. Wyndham Lewis: energie als beheersing

Waar Gaudier-Brzeska energie vanuit leven en omgeving in materie laat kristalliseren, wantrouwt Wyndham Lewis de gedachte dat de natuur uit zichzelf artistieke vernieuwing schenkt. In ‘Life Is the Important Thing!’ keert hij zich zowel tegen de traditionele formule als tegen de impressionistische overgave aan de natuur. De revolutionair die de academische conventie afwerpt, kan volgens hem meteen de slaaf worden van een andere tiran: ‘Nature’ (Lewis 1914: 129). De kunstenaar die uitsluitend registreert wat hij ziet, laat de natuur voor hem denken.

(Lewis, BLAST, 1914: 129)

Lewis’ provocatie berust op een cruciaal onderscheid tussen leven als aanwezigheid en leven als beschikbaar vormvermogen. ‘Life is there all the time’, schrijft hij, maar de mens kan dat leven alleen door zichzelf bereiken. Ook hier biedt exergie een bruikbare, achteraf aangebrachte vergelijking: dat een kracht aanwezig is, betekent nog niet dat zij beschikbaar is om artistiek werk te verrichten.

Kunst is voor Lewis dan ook geen equivalent van het biologische leven. Zij is ‘ANOTHER Life’: een noodzakelijke maar geconstrueerde werkelijkheid die de mens uit zichzelf moet voortbrengen. Dat andere leven ontstaat niet door beweging slaafs te volgen, maar door haar te onderbreken en te organiseren. De vorticist bereikt zijn maximale energie wanneer hij het stilst is; hij is niet de slaaf, maar de meester van de commotie (Lewis 1914b, 148). Lewis neemt daarmee afstand van het futuristische geloof in snelheid om de snelheid. De vortex is geen roes van beweging, maar het stabiele centrum waarin botsende richtingen tot hoekige vlakken en spanningsvelden worden herschikt. Stilstand betekent hier geen energieverlies, maar concentratie en controle.

Lewis’ tekst kan als een radicale verdediging van de verbeelding worden gelezen, maar ook als een fantasie van soevereiniteit: het autonome intellect dat de omringende wereld zonder rest tot vorm maakt.

3. Ezra Pound: energie als efficiëntie

Ezra Pound geeft het energiebegrip van de groep zijn meest expliciet mechanische formulering. In ‘Vortex Pound’ noemt hij de vortex ‘the point of maximum energy’ en ‘the greatest efficiency’, uitdrukkelijk in de betekenis die een handboek mechanica aan die woorden zou geven (Pound, 1914: 153). Vervolgens verplaatst hij het model naar de poëzie. De primaire vorm van een concept of emotie moet niet worden uitgesponnen in uitleg of nabootsing. Zij moet als beeld in één intens ogenblik beschikbaar worden.

Pounds vortex is daarom tegelijk turbine, geheugen en poëtica. Ervaring en verleden stromen erin samen, maar mogen zich nog niet in secundaire toepassingen hebben verspreid. Het meest geladen kunstwerk is het werk dat zijn vermogen niet heeft ‘opgebruikt’ in de uiting. De lezer ontvangt geen uitgeputte betekenis, maar een vorm waaruit nog verschillende betekenissen kunnen worden ontwikkeld.

Het woord efficiëntie legt echter een spanning bloot. Enerzijds verdedigt Pound compacte, niet-redundante expressie. Anderzijds vertaalt hij esthetische waarde in de taal van de machine: maximale output uit een geconcentreerd punt. Het vorticisme deelt zo het bredere modernistische verlangen om de krachten van de industriële wereld niet alleen af te beelden, maar formeel te evenaren. Wat daarbij buiten beeld blijft, is de tweede hoofdwet: iedere omzetting maakt weliswaar geen energie zoek, maar vermindert de hoeveelheid energie die nog nuttig werk kan verrichten. De vortex viert concentratie zonder haar dissipatie te tonen. Pounds poëtica esthetiseert daarmee precies de door Daggett beschreven koppeling tussen energie, productieve arbeid en de bestrijding van verspilling (Daggett 2019).

(Pound, BLAST, 1914: 153)

Conclusie

De drie bijdragen aan BLAST 1 getuigen elk van een eigen poëtica. Gaudier-Brzeska hanteert het concept vortex om de vormkracht van culturen en historische contexten te beschrijven, Lewis lokaliseert vortex in het soevereine bewustzijn van de kunstenaar en Pound past vorticisme toe op de interne werking van een gedicht. Energie kan zo worden geïnterpreteerd als de drijvende kracht achter beschavingsgeschiedenis, als artistieke subjectiviteit en als poëtische techniek. Elk van deze drie perspectieven of poëtica’s levert een relatie op tussen vortex en vorm.

Bij Gaudier-Brzeska begint sculptuur vanuit een relationeel inzicht. Massa, vlak en materiaal krijgen vorm in onderlinge spanning. Wanneer die spanning tot wereldgeschiedenis wordt verheven, monden de relationele verhoudingen uit in evolutionistische categorieën. Een postkoloniale energiekritiek vraagt welke lichamen, materialen en culturen daarbij als bron van vormkracht mogen verschijnen en wie het vermogen krijgt die kracht te interpreteren en te organiseren. Gaudier-Brzeska’s hiërarchie berust op een ongelijke verdeling van artistieke agency: niet-westerse culturen worden als dragers van elementaire energie opgevoerd, terwijl de westerse avant-garde zich hun vormen toe-eigent en in een modernistisch ontwikkelingsverhaal onderbrengt.

Bij Lewis en Pound is energie abstracter aanwezig, in het ideaal van een vorm die haar omgeving volledig beheerst of haar waarde als een maximale efficiëntie bewijst. BLAST 1 toont met andere woorden hoe een natuurwetenschappelijke woordenschat kan worden toegeëigend naar het artistieke en culturele domein om uiteindelijk een normatieve, politieke lading te krijgen.

De uitroep: ‘Vortex is energy!’ is dan niet alleen een esthetische uitspraak. Het is een politieke aanspraak op het vermogen om energie te verzamelen, haar richting te bepalen en te beslissen wat als productiviteit en wat als verspilling wordt gezien.

Bronnen

Daggett, Cara New. 2019. The Birth of Energy: Fossil Fuels, Thermodynamics, and the Politics of Work. Durham, NC: Duke University Press.

Gaudier-Brzeska, Henri. 1914. ‘Vortex. Gaudier Brzeska’. BLAST 1: 155-158.

Haraway, Donna J. 1988. ‘Situated Knowledges: The Science Question in Feminism and the Privilege of Partial Perspective’. Feminist Studies 14 (3):

Haraway, Donna J. 2016. Staying with the Trouble: Making Kin in the Chthulucene. Durham, NC: Duke University Press.

Hayles, N. Katherine. 1990. Chaos Bound: Orderly Disorder in Contemporary Literature and Science. Ithaca, NY: Cornell University Press.

Hayles, N. Katherine. 1999. How We Became Posthuman: Virtual Bodies in Cybernetics, Literature, and Informatics. Chicago: University of Chicago Press.

Lewis, Wyndham. 1914a. ‘Life Is the Important Thing!’ BLAST 1: 129-131.

Lewis, Wyndham. 1914b. ‘Our Vortex’. BLAST 1: 147-149.

MacDuffie, Allen. 2014. Victorian Literature, Energy, and the Ecological Imagination. Cambridge: Cambridge University Press.

Pound, Ezra. 1914. ‘Vortex. Pound’. BLAST 1: 153-154.

Leave a comment