Kan kunst ons werkelijk vanuit een ander wezen laten kijken, of herkennen we in dat wezen vooral wat we er zelf in hebben gelegd?

Ik denk dat kunst het mogelijk maakt om vanuit een ander bewustzijnsperspectief te kijken, in de mate dat beïnvloeding door dat bewustzijnsperspectief mogelijk wordt.

Gadamer noemt het een ontmoeting tussen horizonten. Ik denk dat via de ontmoeting met de ander het kijken via de ander, via de associaties en emotionaliteit van de ander mogelijk wordt. Ik denk dat het mogelijk is om de eigen horizon te verruimen via de kunstvormen van de ander waardoor een deel van de ander wordt eigen gemaakt, waardoor de horizon als het ware wordt verruimd en andere kunstvormen, dans, theater, poëzie, literatuur beleefd kunnen worden vanuit het ik als ander.  

Ik denk dat ‘wereldvorming’ of ‘wereldconstructie’ of ‘wereldmodellering’ daarin een belangrijke rol speelt. Wie schrijft, creëert en daarover communiceert deelt een ‘wereld’. Taal, zij het gesproken of geschreven, maakt navigatie binnen een wereld mogelijk.

Wat nodig is om een andere wereld te betreden is volgens mij intuïtie en empathie. Het Duitse concept Einfühlung is zowel interessant als problematisch. Het begrip betekent immers niet eenvoudig ‘door de ogen van de ander kijken’. Bij de klassieke inlevingstheoretici verleent het subject het object mede zijn gevoelsmatige uitdrukking.

Een bekend voorbeeld is de panter van Rainer Maria Rilke. Tijdens een bezoek aan de Jardin des Plantes in Parijs zag Rilke een panter in een kooi.

Een Nederlandstalige vertaling van het gedicht dat verschenen is in De andere kant van de natuur luidt als volgt:

De panter

In de Jardin des Plantes, Parijs

Zijn blik is van het langsgaan der spijlen

zo moe geworden dat hij niets meer vat

hem is te moede als van duizend spijlen ijlen

met achter hem duizend spijlen niets dan gat.

De zachte cadans van soepel sterke schreden

die in de allerkleinste kring zich keert

is als een dans van kracht rondom een heden

waaruit een grote wil staat die vegeteert

Heel soms schuiven de blinden van zijn pupillen

geruisloos open -. Dan kan een beeld naar binnen gaan,

gaan door het in zijn leden gebalde stille –

om in zijn hart op te houden met bestaan.

De panter lijkt bezield, maar mogelijk ontmoeten we in hem onze eigen spanning, gevangenschap of bewegingsdrang. Dat sluit rechtstreeks aan bij Machs ‘onredbaarheid van het ik’: als het ik slechts een veranderlijke verzameling gewaarwordingen is, wie leeft zich dan in wie in?

Franz Roh biedt vervolgens een bijzonder sterk antwoord. Zijn magisch realisme bevindt zich tussen Einfühlung en abstractie. Hij verwijst hierbij naar Abstraktion und Einfühlung van Wilhelm Worringer (1911).

“Wenn man die Kunst des 19. Jahrhunderts samt Impressionismus als die einder Einfühlungszeit bezeichnen will, so ist die des Expressionismus eine Abstraktionskunst zu nennen. Der magische Realismus kann sozusagen als Durchdringung beider Möglichkeiten gefasst werden, nicht als Nivellierung oder gar Verwisschung beider Gegensätze, sondern als zarte aber stetige Spannung zwischen Hungabe an die vorgefundene Welt und klarem Bauwillen ihr gegenüber. Die Welt wird dann weder Selbstzweck noch blosses Material, sondern, wie eigentlich in jedem guten Lebenswillen auch jenseits der Kunst, einde dritte, beide Durchdringungstypus sogar der fruchtbarste in der gesamten Kunstgeschichte.

Die ganze europäische Kunst des (späteren) Mittelalters besonders dessen Malerei, aber auch diejenige von 1800, scheint hierin zu gehören. Es sind Zeiten, vond enen man bezeichnederweise nie weiss, ob man mehr ihren “Idealismus” oder ihren “Realismus”preisen soll.  

(Roh, 1925: 40)

Wanneer men de kunst van de negentiende eeuw, met inbegrip van het impressionisme, als de kunst van een tijdperk van Einfühlung wil omschrijven, dan moet de kunst van het expressionisme abstractiekunst worden genoemd. Het magisch realisme kan als het ware worden opgevat als een doordringing van beide mogelijkheden: niet als een nivellering of zelfs uitwissing van beide tegenstellingen, maar als een subtiele en toch voortdurende spanning tussen overgave aan de aangetroffen wereld en de heldere wil om haar vorm te geven.

De wereld wordt dan noch een doel op zichzelf, noch louter materiaal. Zoals bij iedere goede levenswil, ook buiten de kunst, ontstaat er een derde type dat beide houdingen in zich verenigt en doordringt – misschien zelfs het vruchtbaarste type uit de gehele kunstgeschiedenis.

De volledige Europese kunst van de latere middeleeuwen, en in het bijzonder de schilderkunst uit die periode, maar ook de kunst rond 1800, lijkt hiertoe te behoren. Het zijn tijdperken waarvan men, veelzeggend genoeg, nooit weet of men eerder hun ‘idealisme’ dan wel hun ‘realisme’ moet prijzen.

Als Einfühlung de overgave aan de aangetroffen wereld van de ander is, dan is abstractie de wil om die wereld helder te ordenen binnen de logica van het zelf. Magisch realisme is dan de blijvende spanning tussen beide werelden.

Rilkes panter en Kentridges houtskooltekeningen kunnen als proefgevallen dienen. Rilke probeert het dier niet psychologisch te verklaren, maar vangt zijn beweging in ritme en herhaling. Kentridge maakt die beweging materieel zichtbaar: tekenen, uitwissen en opnieuw tekenen. Het dier ontstaat niet als stabiel object, maar in opeenvolgende sporen.

Het bewegende beeld van Kentridge wordt narratief doordat de verschillende toestanden van de tekening in elkaar blijven doorwerken.

Zowel in Rilkes gedicht als bij Kentridges houtskooltekeningen verschijnt Einfühlung niet als volledige identificatie met een ander wezen, maar als een beweging tussen toenadering en afstand.

Toenadering zorgt voor immersie, het in de wereld en de ervaring van de ander binnengezogen worden, terwijl abstractie zorgt voor herordening binnen het eigen wereldbeeld. De ontmoeting met de ander verandert vervolgens de wereld van het zelf.

Verder lezen:

Kentridge, William. (2025). Anatomie van het atelier. Amsterdam: Cossee.

Leave a comment