Besparen op cultuur en erfgoed wordt doorgaans voorgesteld als een financiële ingreep: organisaties ontvangen minder middelen, projecten verdwijnen en vacatures worden niet meer ingevuld. Maar bij erfgoed reiken de gevolgen verder dan wat onmiddellijk zichtbaar of berekenbaar is. Wie bespaart op archieven, erfgoedbibliotheken en bemiddelende organisaties, beslist niet alleen welke instellingen vandaag kunnen blijven functioneren. Men beïnvloedt ook welke geschiedenissen morgen nog gekend, onderzocht en met elkaar verbonden kunnen worden.
Een archief is immers geen passieve bewaarplaats waarin het verleden onveranderd ligt te wachten. Documenten moeten worden verzameld, gewaardeerd, beschreven en ontsloten voordat ze maatschappelijk betekenis kunnen krijgen. Hetzelfde geldt voor boeken, beelden, mondelinge getuigenissen en digitale bestanden. Zonder metadata, context en bemiddeling blijven ze onzichtbaar, zelfs wanneer ze fysiek bewaard zijn gebleven. Erfgoedinstellingen bewaren daarom niet alleen objecten: ze scheppen de voorwaarden waaronder een samenleving zich iets kan herinneren.
Michael Rothberg biedt met zijn theorie van het multidirectionele geheugen een bruikbaar kader om die functie te begrijpen. In Multidirectional Memory (2009) verzet hij zich tegen het idee dat collectieve herinneringen noodzakelijk met elkaar concurreren. Meer aandacht voor de ene geschiedenis hoeft een andere geschiedenis niet te verdringen. Herinneringen ontstaan en veranderen juist doordat verschillende historische ervaringen elkaar in de publieke ruimte ontmoeten. Ze nemen beelden, begrippen en vertelvormen van elkaar over, zonder dat hun onderlinge verschillen verdwijnen. De herinnering aan kolonialisme kan bijvoorbeeld in dialoog treden met herinneringen aan migratie, oorlog, vervolging of apartheid. Uit zulke ontmoetingen ontstaan nieuwe interpretaties en solidariteiten.
Maar er moeten wel middelen zijn om je überhaupt iets te kunnen herinneren.
Vanuit Michael Rothbergs theorie van het multidirectionele geheugen kunnen erfgoedinstellingen worden beschouwd als contactzones waarin herinneringen niet alleen worden bewaard, maar in relatie tot andere geschiedenissen nieuwe betekenissen krijgen. Archieven, erfgoedbibliotheken, erfgoedcellen en dienstverlenende organisaties scheppen de materiële en institutionele voorwaarden voor die interactie. Door precies op deze infrastructuur te besparen, beperkt de Vlaamse regering niet alleen de bewaring van bestaande herinneringen. Ze kortwiekt ook het vermogen van erfgoedgemeenschappen om hun ervaringen te documenteren, met andere geschiedenissen te verbinden en als collectief geheugen in de publieke ruimte te laten circuleren. Wat verloren gaat, is daardoor niet uitsluitend een gekend verleden, maar ook een reeks mogelijke toekomstige herinneringsverbanden.
De gevolgen daarvan worden pas na verloop van tijd volledig zichtbaar. Wanneer een lokaal verenigingsarchief niet wordt gewaardeerd, wanneer een collectie niet wordt beschreven of wanneer een digitaal platform verdwijnt zonder bruikbare export, verliezen we niet alleen documenten. We verliezen de mogelijkheid om later vragen aan die documenten te stellen. Onderzoek dat er nog niet is, verbanden die nog niet zijn gelegd en gemeenschappen die nog erkenning moeten verwerven, verliezen een deel van hun toekomstige bronnenmateriaal.
Tegelijkertijd dwingen besparingen erfgoedgemeenschappen opnieuw in een competitief model. Wanneer de middelen schaarser worden, moeten organisaties bewijzen dat hun geschiedenis belangrijker, representatiever of rendabeler is dan die van anderen. Grote instellingen en reeds gecanoniseerde collecties beginnen daarbij met een voorsprong. Zij beschikken over professionele medewerkers, catalogi en institutioneel gezag. Kleine verenigingen, lokale gemeenschappen en minder zichtbare groepen hebben juist bemiddelaars nodig om hun ervaringen als erfgoed herkenbaar te maken.
Zo ontstaat een hiërarchie van herinnerbaarheid. Het verleden dat al erkend en geïnstitutionaliseerd is, behoudt de grootste kans om te overleven. Het verleden dat nog moet worden verzameld, vertaald of verbonden, wordt gemakkelijker onzichtbaar. De regering schrijft erfgoedgemeenschappen daarmee niet rechtstreeks uit de bestaande geschiedenis, maar verzwakt de voorwaarden waaronder zij in toekomstige geschiedenissen aanwezig kunnen blijven.
De besparingen produceren geen onmiddellijke totale vergetelheid, maar een mnemonische vernauwing: ze beperken welke herinneringen in de toekomst nog kunnen worden gevormd, verbonden en maatschappelijk erkend.
Die vernauwing is ook democratisch relevant. Wie bewijs van zijn verleden bezit, kan continuïteit aantonen, erkenning vragen en dominante geschiedenissen tegenspreken. Wie geen archief nalaat, verschijnt gemakkelijker als een gemeenschap zonder geschiedenis. Besparen op erfgoed betekent daarom niet alleen minder cultuur subsidiëren. Het betekent de maatschappelijke ruimte verkleinen waarin verschillende verledens elkaar kunnen ontmoeten en gezamenlijk nieuwe vormen van herinnering kunnen produceren.
De uiteindelijke vraag is dan niet alleen wat wij uit het verleden willen bewaren. Zij luidt ook: welke nieuwe relaties tot dat verleden willen wij voor toekomstige generaties nog mogelijk maken?

Leave a comment